Wat je dus niet aan een man met een mes vertelt

‘De poort staat open,’ fluistert K. We aarzelen even op straat. Misschien hebben we hem gewoon niet goed achter ons dichtgedaan? Paranoia strijdt met de Heinekennevel. Ze staan ons vast op te wachten in de zwarte schaduw van het huisje, die Stille en die Pet met ‘t mes.
Ik luister naar het verhaal van het lijk in Marseille terwijl ik voortdurend de omgeving scan. Niet dat ik iets zie. Venus (denk ik) geeft amper licht op deze maanloze kille nacht. We zijn opgeslokt door een tunnel van bomen met aan weerzijden een diepe strontgreppel. ‘..toen zag ik dus dat been, een vrouwenbeen met de schoen er nog aan.’ Aan het begin van het pad hebben we de armen al stevig ingehaakt en K is steeds zachter gaan praten. De bomen ritselen en ergens knapt een tak. K wist hier de weg toen zij tien was, maar dat is toch anders decennia later in het pikkedonker. Bovendien was ze toen minder in bier geïnteresseerd.
We passeren een helverlicht huis. Je zal maar zo afgelegen wonen, griezelen we. Ook hier heeft K een stemmingsverhogend verhaal bij, over een inbraak van mannen met bivakmutsen bij haar hardhorende opa en oma van in de negentig. Ik stel voor dat S omgekeerd inhaakt, zodat niemand ons van achter kan besluipen. Staat daar nou iemand? Nee, het is lantaarnlicht aan het eind van de tunnel dat op een boom valt. ‘Zo ver lopen was het helemaal niet..’ aarzelt K als we in het schijnsel van de lantaarn staan. S pakt haar mobiel en begint te filmen. Wordt dit onze laatste boodschap? Wat moet ik zeggen, en aan wie?

het kleine, rode huisje
We besluiten om te keren, terug het donker in. Misschien moesten we dat paadje rechts? Door en door en door stappen we, arm in arm in arm. Voor een donker gebouw staan drie auto’s geparkeerd. ‘Hier is het!’ weet K. Aan de gevel een Heineken-uithangbord en achter het raam een briefje met kamerprijzen. Langs een van de gordijnen schijnt licht. Ik gluur naar binnen. Drie mannen drinken aan de toog. Eentje rookt een sigaar. Het bordje ‘Gesloten’ negerend probeer ik de deur en stap langs de maning ‘Klompen uit’ de herberg in. ‘Mogen we een biertje?’ Een van de mannen staat abrupt op en loopt langs ons naar buiten. ‘Wàt moat je?’ vraagt de oude barman. De bolle met de pet heeft inmiddels door dat het ons te doen is om bier en laat het aanrukken terwijl hij naar de krukken gebaart. Hèhè. Een dikke laag ijs omhult ons in de doodstille bar. We verklaren ons binnenvallen met dat we logeren in een huisje dat nog van de overgrootouders van K is geweest. De barman, 78, heeft hen nog gekend. ‘Jullie zitten dus in dat kleine rode huisje aan de Lansbuorren,’ concludeert hij en dient zich nog een Beerenburg toe.
Het ijs smelt en het bier vloeit in moordend tempo. Er verschijnt zelfs een bord met kaasblokjes. Het onderwerp raakt uitgeput en het ijs groeit weer aan. Het bier blijft wel vloeien. De Pet zegt niet veel en de Stille fluistert hem af en toe iets toe in het Fries. Over tieten, volgens K die een beetje Fries verstaat. Plotseling komt het gesprek erop dat in Friesland iedereen met een wapen rondloopt. De Pet begint in zijn zak te tasten. Er komt een flink heft tevoorschijn dat hij ook nog even voor ons openknipt. ‘Met Friezen moat je geen ruzie krijgen,’ bromt de Stille met toegeknepen ogen. Terwijl de Oude zijn volgende anekdote samen met een spervuur aan kazig speeksel lanceert, staat de Stille abrupt op en verdwijnt naar buiten. Kort daarop vertrekt de Pet. Wij horen de Endebel en stappen ook op. Jolig kakelend struinen we terug naar het huisje. Het donker doet ons niets.

vrouwenbenen op het nachtkastje
j