Colombiaans Carnaval

Oct 30 2011

Fock!

‘Friezen, daar kun je maar beter geen ruzie mee krijgen,’ lispelt de man met de pet veelbetekenend, terwijl hij zijn mes op tafel legt. Ondertussen biedt zijn freon – van het type stille wateren, diepe gronden – ons nog een biertje aan. We zitten in Café de Harste in het Friese Tytsjerksteradiel, een plek waar de mannen het niet gewend zijn om hun avondlijke rust verstoord te zien worden door vrouwen. En zeker niet door een stelletje stadse chicks die op stap zijn zonder man of broer aan hun zijde. Toen we zo’n twintig minuten geleden onze hoofden om de hoek van de deur staken, het bord ‘gesloten’ negerend, viel er dan ook een ijselijke stilte. Even waren de mannen met stomheid geslagen, maar na wat onderling gemompel in onverstaanbaar Fries werd er toch geknikt dat we mochten blijven. Terwijl we richting de bar schuifelden, liet man met pet een daverende boer. ‘Vrouwen? Die zien we hier niet vaak. Maar we weten wel hoe we met jullie om moeten gaan hoor.’  

Dankbaar neem ik een glas bier aan van de barman, een oude man wiens gegroefde gezicht verraadt dat hij al heel wat meegemaakt heeft. Mijn hart klopt nog in mijn keel als ik terugdenk aan de onheilspellende tocht hiernaartoe en ik verslik me bijna in een gulzige slok. Naast me grapt mijn zus dat we ons vereerd voelen dit mannendomein te hebben mogen betreden. ‘Tja, het had erger gekund,’ vindt man met pet. ‘Jullie hadden ook indringers uit Burgum kunnen zijn.’ Verbaasd kijken we op. Burgum ligt hier maar een paar kilometer vandaan, maar blijkbaar heerst er een grote rivaliteit tussen de dorpen. ‘Die lui moeten we hier niet. Ze zijn anders dan wij, weet je?‘ Hij kijkt me doordringend aan, alsof hij een reactie van me verwacht. Ik haal mijn schouders op. De man schudt kwaad zijn hoofd: ‘Bij jullie in de stad wordt dat misschien allemaal normaal gevonden, maar hier niet. Hier blijft men in z’n eigen dorp. Waar hij thuishoort. Ik bedoel, ze hoeven niet meteen allemaal dood hoor, maar er hoeft maar iets te gebeuren.’ Bij het woord ‘iets’ knipt hij in zijn vingers, terwijl de andere twee mannen instemmend knikken. En dan ligt dus plotseling dat mes op tafel. Tussen de kaasblokjes en bierviltjes. Alledrie staren we ernaar, mijn zus, K. en ik. Het bruine handvat. Het glimmende lemmet van ongeveer 12 cm. “Heb je het wel eens gebruikt?” hoor ik mijn zus vragen. Ik verstijf. De lach van de mannen klinkt vreemd schel. “Nee hoor meisje, natuurlijk niet.” 

Het wordt later en later. De mannen praten over gestolen auto’s, vrouwen die zich zouden moeten gedragen en de oorlog, die de barman nog meegemaakt heeft. Wij zitten ondertussen zwijgend achter ons zoveelste biertje. Genegeerd, maar niet vergeten. Ik wil hier niet blijven. Maar ik wil ook niet terug naar de boerderij. Niet zolang het buiten nog donker is. Alsof man met pet mijn gedachten leest: ‘Waar verblijven jullie eigenlijk?’ Ik probeer nonchalant te doen. ‘Een stukje verder, in de boerderij van haar oma.’ Ik wijs naar K. ‘Lopend? Helemaal alleen, in het donker? Dat hoort toch niet, drie meisjes op straat in het holst van de nacht?’ De man hangt nu wel heel dicht over me heen. Ik ruik zijn zure adem. ‘Tja, in de stad is ook dat allemaal normaal hè,’ bits ik sarcastisch. En heb onmiddellijk spijt. Een vrouw met een grote mond, daar houden ze hier niet van. ‘Welke boerderij dan precies? Die leegstaande van Fokje?’ De stille grijnst zijn scheve tanden bloot. K. knikt. Zo heette haar oma inderdaad. Ik voel dat ik van kleur verschiet. Hoe weten ze dat? De mannen wisselen wat woorden en lachen hard. Ik versta niets van dat fock-Fries. Ondertussen heeft de barman twee shotglaasjes met een bruin goedje voor ons gezet. De blik van de stille man ontwijkend, sla ik de lokale specialiteit in een keer achterover. Het prikt in mijn keel en ik moet me inhouden om niet te hoesten. Mijn zus volgt mijn voorbeeld. Dan slaat man met pet uit het niets met zijn vuist op de bar. ‘Tijd om te gaan.’ Hij boert nogmaals luid en grist het mes tussen de kaasblokjes vandaan. Het verdwijnt in zijn jaszak. Zonder ons nog een blik waardig te gunnen, verdwijnt hij met de stille man de kou in. De deur valt piepend achter hen dicht. Dan vindt de barman het plotseling ook welletjes. ‘Opdrinken en vertrekken,’ bromt hij nors. We hebben weinig keus. Een beetje aangeschoten stappen we even later het donker in. Een ijzige wind strijkt langs mijn gezicht en doet mijn ogen tranen. De maan verdwijnt achter een wolk. Blind staren we om ons heen. Ik pak mijn telefoon om ons bij te schijnen, maar de batterij is leeg. Had ik vandaag maar niet de hele tijd foto’s en filmpjes moeten maken. Welke kant moeten we ook alweer op? Aarzelend slaan we af naar rechts. Achter ons gloeien twee koplampen op in het donker. Als opgeschrikt wild verstijft mijn zus in de lichtbundel, haar ogen wijd opengesperd. Achter het stuur zie ik iemand met een pet. Fock… 

***

Een weekendje afzondering ter inspiratie voor onze nieuwe roman, ver weg van de dagelijkse afleiding van werk en alles wat verder ‘moet’, dat is het plan. Maar dan wel low-budget. Het schrijversbestaan is immers geen vetpot. Vriendin K. voorziet ons van de perfecte bestemming: een leegstaande boerderij in het verlaten Friese platteland, deel van de erfenis van haar oma. We mogen er gratis overnachten. Daar hebben we die urenlange treinrit naar Leeuwarden wel voor over. Op het station aangekomen loopt de routebeschrijving van K. helaas direct dood. ‘De laatste keer dat ik er ben geweest was ik tien en toen waren we met de auto,’ bekent ze. Navraag leert ons dat we een stuk met de bus kunnen en daarna te voet verder moeten: ‘Uitstappen bij het gemeentehuis van Sumar, dan je neus volgen naar de stinkfabriek en vervolgens vragen naar Klein Zwitserland. Oja, zorg wel dat je in Sumar wat te eten inslaat, Klein Zwitserland is Niemandsland.’ Een uur later slepen we onze hippe koffers op wieltjes, volgeladen met flessen wijn en stokbroden, door de Friese stront. Erg inspirerend is het allemaal niet, dus als we in de verte drie fietsers ontwaren, barricaderen we het fietspad met onze koffers, in de hoop op een lift. Twee van de jongens racen echter met rood aangelopen hoofden langs ons – siste die ene nou ‘maak dat je wegkomt’? -  terwijl jongen nummer drie zijn schouders ophaalt: ‘In mijn eentje kan ik jullie echt niet meenemen.’ Een beetje verslagen kijken we toe hoe ook hij aan de horizon verdwijnt. We sjokken verder. Af en toe komt er een auto of een trucker voorbij en steek ik hoopvol mijn duim in de lucht. Er wordt veelvuldig getoeterd en gezwaaid, maar stoppen ho maar. Het begint al te schemeren als ‘s werelds kleinste autootje de berm indraait. Held Timme redt ons uit het Friese weiland.  

En na zeven uur reizen ben je ook ergens. Het boerderijtje van K.’s oma steekt piepklein af tegen de grote, statige boerderijen van de buren. Het slot knarst als K. er de sleutel insteekt. Binnen lijkt het tien graden kouder dan buiten. Ik voel hoe de haartjes op mijn armen rechtop gaan staan. De tijd heeft hier stilgestaan. Vergeelde foto’s aan de muur, afgebladderd behang en bruine lampenkappen. Het water is afgesloten. ‘Hoe lang staat het al leeg?’ vraagt mijn zus. K. haalt haar schouders op. ‘Er woont al heel lang niemand meer. Maar af en toe dient het als vakantiehuisje voor nichtjes en neefjes.’ We steken de gaskachel aan en trekken een fles wijn open. Onder het toeziend oog van K.’s voorouders, die ingelijst boven de eettafel hangen, staren we naar de dansende vlammetjes van de gaskachel. Een vlieg zoemt loom rond mijn hoofd. Mijn oogleden worden zwaar. Maar de klok wijst pas acht uur. Misschien zou een frisse avondwandeling ons goed doen. 

Buiten is het ondertussen aardedonker. De maan en sterren verschuilen zich achter dikke wolken en lantaarnpalen hebben het verre noorden van Nederland blijkbaar nog niet bereikt. Voetje voor voetje schuifelen we door de natte berm. Als er nu een auto aankomt, zijn we er waarschijnlijk geweest. Maar er lijkt op dit uur toch geen verkeer meer te rijden hier. De stilte wordt verstoord door een krakende tak, ergens achter ons. Loopt daar iemand? ‘Vast een koe in het weiland of een ander dier,’ zegt K. weinig overtuigend. Ik tuur het donkere gat achter ons in, maar zie niets. Zenuwachtig grijpen we elkaar vast en arm in arm lopen we verder, ondertussen luid pratend om over het geluid van onze angstige gedachten uit te komen. In de verte doemt een lichtje op. Dat moet de buurtkroeg zijn, wijst K. We versnellen onze pas. Geen buurtkroeg blijkt even later, wel een kas met planten en ‘rariteiten’ aldus het bordje ervoor. Terugkeren dan maar? ‘Misschien hadden we eerder af moeten slaan?’ Ik kijk nog eens om. Beweegt er iets in het donker? ‘Nee,’ zeg ik hardop, meer tegen mezelf dan tegen de anderen. We lopen terug. Slaan af. In de verte blaft een hond. Mijn zus en K. discussiëren over wat enger zou zijn om in het donker te ontwaren: een dode of een levende man. Ik vind het een belachelijk gesprek, maar houd mijn mond. Tussen de bomen door zien we weer een schijnsel. De kroeg! Voor de deur hangt een bord met in rode letters het woord gesloten. Maar als ik tegen de deur duw, geeft hij wel mee. We staan in een slecht verlichte ruimte met een aantal tafels met lege stoelen en een bar. Drie mannen staren ons aan. ‘Vrouwen? Die komen normaal gesproken niet in deze kroeg. Maar we weten wel hoe we met jullie om moeten gaan hoor.’

S.

Page 1 of 1