Niks lugubers aan de hand
Trillend duikt ze onder en glijdt onzichtbaar door het zwarte grachtenwater. Van de koude heeft ze geen last. Terwijl ze vroeger zo’n bibberkip was. Vroeger bestaat alleen nog uit flarden die haar af en toe invallen. Steeds minder vaak komt er iets terug. Het water wordt meer en meer haar wereld. Om te slapen kruipt ze sinds kort niet meer onder het dons van het verlaten zwanennest. Roerloos droomt ze, net onder het oppervlak.
Vanmiddag was ze in haar slaap een drukbevaren stuk gracht opgedreven. Bij de Sterrenwacht werd ze bruut gewekt met de por van een peddel. De kanoër begon doordringend te gillen. Ze dook onder. Het geluid achtervolgde haar tot op de bodem. Ze was gezien. Gelaten legde ze zich neer bij de komende heksenjacht.
Met gebalde vuist kijkt ze politieboot na. Haar krijgen ze niet. Het bevalt haar in het water. Gelukkig dat ze in de buurt was van die groep zwanen. Perfecte camouflage. Als een lelie ontvouwt ze haar hand in een dankgebaar naar de witte watervogels. Met een elegante slag van de pols verrijst ze hoog uit het water. Uit de verte zou je haar voor een lelijk eendje aanzien.
In het spiegelende oppervlak bestudeert ze haar nagels bij het vale licht van de straatlantaarns aan de Oudegracht. Van de blauwe lak is weinig meer over, constateert ze melancholiek. Een traan rolt langzaam via haar levenslijn het water in. Ze maakt een pirouette en waaiert koket met haar vingers naar de majestueuze zwaan die langs haar zeilt. Het beest sist kwaadaardig en haalt uit naar haar duim.
Plots wordt ze kwaad. Op deze zwaan die haar zojuist een stuk duim heeft gekost. Op de ratten die aan haar vreten. Op de schroef van de boot die haar uiteen heeft gereten. Ze zwiept uit het water, en grijpt het arrogante beest bij de ranke strot. Ze knijpt en knijpt. De zwaan slaat wild met zijn nek en het wurgen blijkt moeilijk zonder duim. Ze maakt haar wijsvinger los en drijft hem diep in de oogkas van de witte tornado. Triomfantelijk berijdt ze het slappe dier en duikt terug in de gracht.
Wat was dat? We varen net jolig onder brug bij het stadhuis, waar de gevangenen vroeger gezellig werden gemarteld. Naar wil het maar niet worden. De boot schokt en de motor rochelt. We hebben iets geraakt. Terwijl de gracht hier drie meter diep zou zijn. Ingespannen turen we in het zwarte water. Dan pakt de motor het geruststellende gefluister weer op. Wat spijtig dat er vanavond niks lugubers is gebeurd.
j